U bent hier: Home › Trainingen › Synchroonschaatsen

Synchroonschaatsen

Synchroon schaatsen is een gespecialiseerde tak van het schaatsen net als solo-kunstrijden, ijsdansen en paarrijden.
Er wordt gereden in een team van twaalf tot vierentwintig schaatsers, waarbij er verschillende passen, groepsformaties en schaatsmanoeuvres moeten worden uitgevoerd. Hoofd, benen, armen en lichamen dienen gelijk te bewegen als een eenheid. De formaties dienen precies te zijn en de lijnen recht.
De programma's (dansen) worden beoordeeld op technische moeilijkheid en presentatie (artistieke indruk) en worden uitgedrukt in punten.

Programma's en lengte
Synchroon schaatsen bestaat uit:
- Kort programma (met verplichte elementen)
- Vrij programma (het schaatsen van niet voorgeschreven bewegingen voor een specifieke tijdsduur op muziek, gekozen door het team)
Het kort programma duurt 2:40 minuten voor Junioren en Senioren.
Het vrij programma duurt 4:00 minuten voor Junioren en 4:30 minuten voor Senioren.
Juvenille teams en Novice teams  rijden geen kort programma. Het vrij programma duurt 3:00 minuten voor Juvenille en 3:30 minuten voor Novice.

Samenstelling teams
Een synchroon-team moet bestaan uit tenminste 12, maar niet meer dan 20 personen (dames en/of heren).
Bij alle internationale synchroon schaatswedstrijden:
- bestaat een Senioren-team uit 16 tot 20 schaatsers, leeftijd is minimaal 14 jaar.
- bestaat een Junioren-team uit 12 tot 20 schaatsers, leeftijd is minimaal 12 jaar en maximaal 19 jaar.
Ieder team mag maximaal 4 reserverijders hebben.
Een Novice-team bestaat uit 12 tot 20 schaatsers, leeftijd is maximaal 15 jaar.
Op dit moment zijn er in Nederland alleen wedstrijden voor de Novice-, de Junioren- en de Senioren-teams.

Nederlands Kampioenschap
Zowel een Juvenille-team, een Novice-team, een Junioren-team, als een Senioren-team kan deelnemen aan de Nederlandse Kampioenschappen. Evenals bij het solo-rijden, het paarrijden en het ijsdansen, moeten ook de synchroonteams deelnemen aan de selectiewedstrijden voor het NK. Ook zij moeten minimaal aan 2 van de 3 selectiewedstrijden deelnemen. Neemt een team deel aan alle 3 de selectiewedstrijden dan telt het slechtste resultaat niet mee.

De winnaar binnen categorie krijgt de titel 'Nederlands Kampioen' voor die categorie als er minimaal de volgende punten behaald worden:
Junioren: 85 punten
Senioren: 105 punten

Als je niet voldoende gehaald hebt, dan heb je wel gewonnen in de categorie, maar krijg je niet de titel Nederlands Kampioen.

Basis-elementen

Lijn
De meest basisformatie. In een lijn formatie, is het de bedoeling dat de schaatsers een rechte lijn vormen, waarbij iedere schaatser de persoon naast hem/haar vasthoud in een van de basis handgrepen. De lijnen bewegen voorwaarts of zijwaarts. Het aantal schaatsers per lijn is vrij. Er mag voorwaarts en achterwaarts geschaatst worden, bovendien mogen de handgrepen wisselen. Soms worden er meerdere lijnen parallel gebruikt.





Cirkel
In een cirkel formatie is het de bedoeling dat de schaatsers een gesloten (met vasthouden dus) cirkel vormen. De schaatsers kunnen hun lichaam en blik in de cirkel richten of naar buiten (dat is meestal wat moeilijker) De cirkel roteert om een vast punt, maar kan zich ook voortbewegen over het ijs. Er mag voor- en achterwaarts geschaatst worden. Als variatie kan er een cirkel in de cirkel gevormd worden die dezelfde of andere kant opdraait. 

 






Blok
Een blok formatie bestaat uit een aantal lijnen die samen bewegen als een blok. In het algemeen houdt men elkaar binnen de lijnen elkaar vast, maar de lijnen onderling niet. In een rechthoekig blok zal elke lijn uit evenveel schaatsers bestaan indien het aantal teamleden dit toestaat. Het blok dient recht te blijven bij beweging. Een blok kan ook een diamant of driehoek vorm hebben. Bovendien kan de as veranderen, de rijen worden dan kolommen en omgekeerd.

 




Molen (wiel)
Een molen is een formatie welke is samengesteld uit (meestal) rechte lijnen (spaken) welke samen roteren om een gemeenschappelijk centrum. Het aantal lijnen kan variëren van 1 tot 6 afhankelijk van teamgrootte en choreografie. De schaatsers houden elkaar vast tijdens het roteren. Naast het roteren kan de molen zelf ook nog voortbewegen op het ijs. Op het plaatje hiernaast staat een molen met vier lijnen.

 









Intersectie
De intersectie is een beweging waarbij twee formaties elkaar kruisen op het ijs. Bij de meest eenvoudige vorm rijden twee lijnen naar elkaar toe. Net voordat ze elkaar raken laten de schaatsers elkaar los en brengen de armen omlaag om de schaatsers van de andere lijn te kunnen passeren. Na het kruisen pakken de schaatsers elkaar weer vast om de lijnen weer te herstellen. Intersecties kunnen uitgevoerd worden met lijnen, blokken, molens, etc. Het plaatje hiernaast laat een eenvoudige intersectie met twee lijnen zien.

 




Eggbeater
De "Eggbeater" is een voorbeeld van twee roterende molens die in elkaar draaien. Dit is het moeilijkste als de molens dicht bij elkaar staan en er een hoge snelheid is. Niet makkelijk maar wel een spectaculaire beweging. Het plaatje hiernaast laat twee molens van ieder drie lijnen zien.

 




Definities van gebruikte termen bij Synchroonschaatsen

  1. Passenserie: Een combinatie/serie van verschillende draaien en passen zoals drieën, tegendrieën, wendes, tegenwendes, mohawks,choctaws, twizzels, kantenwissels, chassés, etc.
  2. Vrijrijbewegingen: Vrijrijbewegingen zoals sleepjes, zweefstanden, Ina Bauers, spreidstanden zijn toegestaan bij het synchroonschaatsen.
  3. Transitie (overgang): Een passage tussen twee elementen. In het korte programma is het gebruik van transities toegestaan die nodig zijn om de verplichte elementen met elkaar te verbinden mits zij niet meer dan de helft van de lengte van het ijsoppervlak in beslag nemen.
  4. Danssprongetje: Een roterende beweging van niet meer dan een halve (1/2) draai waarbij beide voeten het ijs verlaten.
  5. Sprong: Een roterende beweging van tenminste een (1) draai waarbij beide voeten het ijs verlaten. Alleen sprongen van een (1) draai zijn toegestaan bij synchroonschaatsen en alleen bij het vrije programma.
  6. Geassisteerde sprong: Een sprong, van niet meer dan een (1) draai, waarbij een schaatser assistentie verleent aan een andere schaatser op een niet ondersteunende manier. De afzet moet gedaan worden door de schaatser die springt. Tijdens dit element is er een voortdurende beweging van opspringen en weer landen. De handen van de schaatser die assistentie verleent, mogen niet hoger komen dan schouderhoogte. Geassisteerde sprongen mogen alleen worden uitgevoerd tijdens het vrije programma.
  7. Lift: Het omhoogtillen van een schaatser van het ijs door een ander schaatser. Tijdens de uitvoering van dit element is er een vastgehouden houding in de lucht. De afsprong wordt niet gedaan door de schaatser die springt. Liften zijn niet toegestaan bij synchroonschaatsen.
  8. Zweefstand: Een zweefstand is het glijden op een lange boog op een kant van de schaats in arabesque (zweefstand) positie waarbij het vrije been even hoog of hoger dan de heup wordt gehouden.
  9. Configuratie (arrangement/vorm): Een configuratie is het arrangement en/of de vorm van het element. Met arrangement wordt bedoeld dat de schaatsers moeten wisselen van schaatsers naast wie ze op dat moment schaatsen. De samenstelling van de vorm van dat moment verandert dus. Met vorm wordt bedoeld het aantal lijnen in een element (bijvoorbeeld het blok).
  10. Geïsoleerde bewegingen: Geïsoleerde bewegingen zijn bewegingen waarbij schaatsers zijn geïsoleerd van elkaar of van de rest van het team. Deze bewegingen moeten een samenhang vertonen met het totaal van het element dat op dat moment wordt uitgevoerd en de muzikale interpretatie ondersteunen. Geïsoleerde bewegingen (vooropgesteld dat dit toegestane bewegingen betreft) zoals korte pirouetten, sprongen, zweefstanden, etc. en andere unieke en vernieuwende bewegingen zijn alleen toegestaan in het vrije programma.
  11. Uitlichten: Een element waarbij een schaatser/meerdere schaatsers een geïsoleerde beweging uitvoert/uitvoeren waarbij deze afleidt van de rest van het team en niets te maken heeft met het element dat door het team op dat moment wordt uitgevoerd. Uitlichten is niet toegestaan bij synchroonschaatsen.
  12. Sub-groeperen: Een groep naast de groep of meerdere kleine groepjes zonder samenhang met de rest van het team; het verdelen van het team in meerdere kleinere groepen.

(Definities van gebruikte synchroontermen zijn overgenomen uit reglementen synchroonschaatsen van de website van de K.N.S.B.)


-- Geen vermeldingen --


Ogenblik a.u.b. ...